O sponsachtig weekdier in mijn schedel, dat mijn theater maakt, ik heb geen talent voor lijden. Ik trek steeds wijdere kringen, steeds engere kringen. Het aantal ingebeelde ontsnappingen neemt af tot één. De trein is nog steeds een uturus zoals ik erin lig met ingevouwen benen naamloos tussen reizigers die flarden taal zijn – en wat is dan vriendschap (o vriend, zie mij hier, herken mijn wegen).
We lopen in een laaggeknipt doolhof, zien elkaars hoofden in beslissende richtingen gaan maar niet de lijven en niet de versperringen.
Mijn nabijheid tot dit woord, jouw nabijheid tot dit woord, taal is ook ons beste middel tot zelfbegoocheling,
en daarom koesteren wij en schrijven nog over het ultieme doel: om de wind te horen die om de doelpaal zingt.